|
De legende van de wonderbare kerk - Omstreeks het jaar 690 zouden drie vrome maagden, afstammelingen van de Romeinse keizer Octavianus in Hakendover terecht zijn gekomen. Zij besloten een kerk te bouwen ter ere van de Zaligmaker op een plaats 'Hooibout geheten. De plek bleek God echter niet welgevallig te zijn. Alles wat overdag door de werklieden en steenkappers gebouwd was, werd 's nachts door engelen omvergeworpen. Toen zij op een andere plaats, 'Steenberg' genaamd, aan de werklieden vroegen een kerk te bouwen, gebeurde daar hetzelfde. De volgende dag lag alles weer tegen de vlakte. De moedeloos geworden vrouwen kregen tenslotte, op de dertiende dag na Driekoningen, nu 'Haken- doverwijn' genoemd, echter bezoek van een engel. Deze wees hen de plaats aan die voor God wel goed was voor de kerkbouw. Het had die dag hard gevroren en gesneeuwd. Rondom de plaats die de engel aanwees, zagen de drie maagden echter een zijden draad gespannen waarbinnen het gras en de kruiden in volle groei en bloei stonden. Op de plaats heet nu het Hoogaltaar te staan, zagen zij een struik, een 'Spikdoorn', waarin engelen als vogeltjes zongen. Een van hen droeg in zijn klauw een papier waarop stond dat dit de uitverkoren locatie was. Voor de bouw werden twaalf arbeiders geworven. Gedurende de bouw van de kerk waren zij overdag echter met dertien. Bij het middagmaal en de uitbetaling verschenen er telkens maar twaalf. De dertiende arbeider was de Zaligmaker zelf. - In en rond de parochiekerk van Hakendover ontwikkelde zich in de latere middeleeuwen een bedevaart. Vereerders uit de streken rondom Hakendover kwamen daar op af, maar vanaf het einde van de 19e eeuw kwam deze 'boerenbedevaart' ook in het zicht van gelovigen in de Nederlandse provincie Noord-Brabant. Sindsdien groeide er daar een belangrijke bedevaart die gedragen werd door drie grote broederschappen die gezamenlijk vrijwel de gehele provincie bestreken. In de loop van de 20e eeuw waren zij die de bedevaart naar Hakendover voornamelijk gestalte gaven, terwijl het allengs nauwelijks meer bedevaartgangers uit België trok. De Bredase broederschap - Op 12 juli 1901 werd in de H. Hartkerk aan de Baronielaan (na sluiting in de St. Annakerk) te Breda een broederschap voor de Hakendover bedevaart opgericht. Daaraan ging vooraf de praktijk, sinds 1892, dat een aantal Bredanaars (160 in 1893) zich aansloot bij de oudere bedevaart die vanuit Turnhout naar Hakendover trok. Doordat het aantal Bredase deelnemers toenam moest men vanaf 1895 een extra trein in te zetten. De groei noodzaakte de oprichting van een eigen broederschap in 1901. De aantallen ontwikkelden zich als volgt: 1901: 825 leden en 13 commissarissen 1911: 3.940 leden en 34 commissarissen 1921: 5.202 leden en 36 commissarissen 1931: 6.535 leden en 46 commissarissen 1941: 6.017 leden en 47 commissarissen 1951: 7.903 leden en 53 commissarissen 1961: 10.119 leden en 57 commissarissen 1975: 7.000 leden en 55 commissarissen 1994: 8.500 leden en 58 commissarissen - Pastoor P. Fransen van de H. Hartkerk was 27 jaar de geestelijk leider en directeur van de broederschap en werd opgevolgd door pastoor A. Boumans die dat ruim 30 jaar deed. Vanaf 1960 pastoor-deken L. Beckers. Gedurende die jaren werden diverse objecten voor de bedevaart aangeschaft en werden schenkingen gedaan aan de kerken te Breda en Hakendover, zoals gebrandschilderde ramen en processieattributen. De commissarissen hielden zich bezig met de inning van de contributies en de begeleiding en ordehandhaving van de bedevaart. Uit hun midden werd een bestuur gekozen - In 1907 liet de broederschap in Roermond (bij J.A. Ooy en Zonen) een kopiebeeld van de Goddelijke Zaligmaker van Hakendover maken ter plaatsing in de Bredase H. Hartkerk. - Aanvankelijk deed men de bedevaart geheel of deels te voet; anderen gingen met de tram naar Antwerpen en weer anderen via Tilburg-Baarle-Nassau, totdat Tilburg zelf een broederschap oprichtte. Daarna nam men veelal de trein van Gilze-Rijen naar Roosendaal en Essen. De heenreis was op Pasen zelf en de terugreis ging met de trein vanaf Tienen via Essen naar Nederland op tweede Paasdag in de middag. De pelgrims sliepen op stro in schuren van boeren in en rond Hakendover. - In 1914-1918 en 1940-1945 werd de bedevaart onderbroken en hield men een alternatieve processie in de Bredase kerk. Na de oorlog konden voortaan bussen worden ingezet, zodat pelgrims in de regio in hun eigen woonplaats konden opstappen. Er vertrokken toen zo'n 800-900 bedevaartgangers. Sinds 1957 ging men op de terugreis voortaan ook als tussenstatie het Mariaheiligdom Scherpenheuvel bezoeken. In 1961 gingen er nog maar circa 470 pelgrims en liep het aantal verder terug. - De broederschap was lange tijd een mannenaangelegenheid en met name boeren die de traditie van vader op zoon doorgaven. in 1961 komt daar langzaam verandering in en worden vrouwen en kinderen gestimuleerd te participeren. In 1962 werd de bedevaart ééndaags in plaats van twee met overnachting. Daardoor nam het aantal vrouwelijke deelnemers snel toe. Menigeen ging voortaan met de eigen auto. De 45 minuten durende processie van uit kerk van de paters Dominicanen naar Hakendover paste niet meer in de eendaagse bedevaart. De bedevaart in 1974 bestond uit 42 commissarissen, 169 mannen, 141 vrouwen en 57 jongeren, plus de jeugdharmonie van Alphen met 50; in 1976 waren er 400 deelnemers vanuit Breda. In totaal werd het aantal bedevaartgangers in Hakendover dat jaar op zo'n 15.000 geschat met een paardenprocessie bestaande uit 411 ruiters. Later werden ook enkele paarden meegenomen vanuit Rijsbergen. In 1978, na actieve propaganda gingen er ineens weer 570 pelgrims, vervoerd in een stoet van 11 bussen. - in 1990 werd de honderdste bedevaart vanuit Breda gevierd (gerekend vanaf 1891). - Secretaris Toon Hendrikx (*1911) vertelde in 1994 hoe hij op zijn zestiende, in 1927, bij de broederschap was gekomen, die mede door zijn vader was opgericht. Hij werd in 1932 commissaris. Hij zag door de jaren heen de praktijk veranderen. Waar het adagium eerst vooral luidde: 'ge moest, ge moest, ge moest bidden'. Het meereizen van de harmonie gebeurde maar tweemaal omdat men dan niet goed kon bidden vanwege de muziek. De bedevaart van één dag werd aanvankelijk door sommigen als 'ketterij' gezien. Moest men later vooral geboeid worden door de processie. - De contributie van de leden begon met 25 cent, werd later 50 cent en is in 1987 verhoogd tot 1 gulden; de bijdrage moest kort voor Pasen binnen zijn. Het batig saldo ging voor de helft naar de parochiekerk en voor de helft naar de broederschap. Tilburg en De Meierij - De Hakendoverbroederschappen Tilburg en De Meierij (in Schijndel) zijn afsplitsingen van de Bredase in respectievelijk 1904 en 1936. Vanaf 1922 was 'de Meijerij' al een afdeling binnen 'Tilburg'. Zij hielden in 1975 nog een tweedaagse bedevaart. - In 1994 telde 'Tilburg' nog zo'n 3000 leden - Bij de Meierijse broederschap waren zo'n honderd parochies aangesloten met omstreeks 1975 nog zo'n 7000 leden. De broederschap bracht in 1931 772 pelgrims op de been voor de bedevaart; in 1938 waren dat er 902. In de oorlogsjaren ging men niet en voor het eerst weer in 1948 niet minder dan 1225. Sindsdien is het aantal langzaam teruggelopen, met even een opleving in 1960 en 1961 (zo'n 1200). Vanaf 1964 werd de eigen auto meer en meer gebruikt en gingen 659 met de bus, afnemend tot 381 in 1976 (laatst beschikbare cijfer), dat was maar zo'n 5% van het totaal aantal leden. In 1960, ter gelegenheid van de 25e bedevaart van de Meijerij, was de Bossche bisschop Beckers de eerste Nederlandse bisschop die aan de Hakendoverbedevaart deelnam en toen Hakendover een fraai wegkruis schonk. Rituele gebruiken - In de nacht van 16 of op 17 januari lopen vereerders de zogenaamde 'dertienmaal' of de 'grote dertien': dan gaat men dertien keer de afstand vanaf de kerk van Hakendover naar de kapel van Grimde van O.L. Vrouw Ten Steen en weer terug. De pastoor gaat daar aan voorafgaand met het kruis voor tot aan de bron. - De processie trekt op tweede paasdag als een liturgische processie door het dorp. Opmerkelijk is dat de Nederlandse bedevaartgangers als eersten meelopen, direct achter het processiekruis. Verder worden een beeld van de Goddelijke Zaligmaker en van O.L. Vrouw van Hakendover en van andere heiligen meegedragen. Als de processie stopt gaat de laatste groep, die van de ruiters, door en zetten een ritueel paardenrennen in door de ingezaaide akkers bij het dorp. - Als de pelgrims Hakendover verlaten om weer huis terug te keren namen en nemen ze in de regel enkele gewijde zaken meer terug: een medaille van de Goddelijke Zaligmaker, een flesje water uit de bron, een zakje aarde en spikdoorntakjes. De medailles worden gebruikt bij hoofdpijn en gelegd onder het hoofdkussen; het water is bij veeziekten voor mens en dier ( in het bijzonder mond- en klauwzeer) of om wonden en zweren uit te wassen. De gewijde aarde werd ook aangewend om in de stal te strooien om dieren te genezen, schuren van ongedierte vrij te houden of om akkers vruchtbaarder te maken. De takjes worden gebruikt bij tandpijn. - Voor de Tweede Wereldoorlog offerden hengstenhouders haar uit de staart van het paard voor een goede bevruchting. - Wie bij de Bredase broederschap 25 jaar commissaris was, kreeg een kruisbeeld. Pelgrims kregen een eremedaille na 13 keer, 26 keer of 50 keer te hebben deelgenomen. - Paus Pius X verleende op 29 januari 1907 de faculteit om op verschillende dagen in het jaar een volle aflaat door de leden te laten verdienen.
|