Laren, De witte en de zwarte Ewald (Ewoud)

Gediskwalificeerd: ja
Cultusobject: De witte en de zwarte Ewald (Ewoud)
Datum: 3 oktober
Periode: Middeleeuwen
Religieuze context: christelijk
Locatie: onbekend
Adres: onbekend
Gemeente: Lochem
Provincie: Gelderland
Bisdom: Utrecht
Samenvatting:

Een visitatie van de bisschop van Deventer in de jaren zeventig van de 16e eeuw wijst erop dat er in de late middeleeuwen een bedevaart naar de kapel van de twee Ewalden in het Gelderse Laren heeft bestaan.

Auteur: Peter Jan Margry
Illustraties:
Topografie

- Lindeborn verwijst in zijn geschiedenis van het bisdom Deventer uit 1670 naar oudere aantekeningen van Sasbout Vosmeer die als eerste het bestaan van het kapel gewijde aan beide Ewalden in Laren (vroeger: 'Laer') vermeldde. Deze middeleeuwse kapel is in 1835 afgebroken en door een nieuw kerkgebouw met toren vervangen.

Cultusobject

- De twee Ewalden, de witte ('albus Ewald') en de zwarte ('niger Ewald'), vanwege hun kleur haar, beiden metgezellen van Willibrordus, werden tijdens hun missioneringsarbeid omstreeks 695 in Saksen, in een gebied tussen Weser en Rijn, om het leven gebracht. Hun lichamen werden in de Rijn geworpen. De lichamen werden uiteindelijk gevonden en in Keulen in het St. Cunibertusklooster bijgezet. Hun hoofden kwamen apart in een kerk in Munster terecht. In Kaiserswerth en Keulen was ondertussen verering ontstaan. Door aflaatquestierders in het bisdom Utrecht werd de cultus ook in de Nederlanden verbreid en kwam mogelijk zo ook in het Gelderse Laren terecht.
- Tijdens hun leven zouden beide missionarissen in het Westfalense dorp Laer een wonder hebben verricht: een van beiden sloeg op een akker een put met een nimmer uitdrogende bron. Deze 'sacrum pratum' werd in 1602 nog aan de geschiedschrijver Wern. Rolevinck aangewezen. Een kleine kapel was daar toen ter ere van beiden opgericht.
 

Verering

- De verering van beide Ewalden werd in de 14e eeuw in de Nederlanden gepropageerd. Bisschop Arnoldus van Hoorn schonk op 1 maart 1378 een aflaat van 40 dagen aan allen die geld en gaven zouden geven omwille van de St. Ewaldquest. Sindsdien kwamen beiden ook voor in latere questen van het Utrechts domkapittel. In 1440 gaf hertog Philips van Bourgondië met de relieken van St. Ewald door Holland en Zeeland te reizen. Ewaldquesten gingen tot in de 16e eeuw door. Ongetwijfeld hebben deze questen bijgedragen aan de verbreiding van de cultus in het bisdom Utrecht. Wellicht is het ontstaan van de Ewaldenverering in Laren te danken aan de vroegere naamovereenkomst van Laren ('Laer') met het Westfalense Laer, een oudere cultusplaats voor beide heiligen.
- De oorsprong van de verering van de twee Ewalden is een gevolg van het martelaarschap van de beiden missionarissen in Westfalen, zoals beschreven in de Historia Ecclesiastica Anglorum (liber V, caput 11) van Beda Venerabilis. 
- Volgens de kerkelijk visitatie door Aegidius de Monte, bisschop van Deventer, gedaan tussen 1570 en 1577, zou de kerk van Laren (en de daarin aanwezige relieken?)  'vroeger beroemd zijn geweest vanwege een groten toevloed van vreemdelingen', dus voor de Reformatie. Geschiedschrijver Jan Lindeborn schrijft in zijn Historia sive notitia episcopatus daventriensis (1670) dat de beide Ewalden in het Gelderse Laren (Laer) werden vereerd. Lindeborn ontleent deze kennis 'e notis Sasboldi',  aan een geschrift van Sasbout Vosmeer. Lindeborn noteert: 'Nostro vero Laerensis Ecclesia quibus auctoribus quave occasione initum sumpserit annotatum non invenio, omnibus samen novum team magno peregrinatium confluxo olim extitisse illustrem', met andere woorden Lindeborn heeft niet kunnen ontdekken wanneer de kapel is gesticht, maar weet wel te vertellen dat in en om Laren 'iedereen ervan op de hoogte is dat deze kerk ooit een beroemde plaats was en een grote toestroom van pelgrims aantrok'. De Larense kermis was op de eerste maandag in september en werd druk bezocht. Of die bezoekers ook allemaal pelgrims waren is niet te bepalen. Gezien de gelijksoortige bewoordingen gaat Lindeborns opmerking over de verering mogelijk terug op het genoemde (laat-middeleeuwse) visitatierapport van een honderd jaar eerder.
 

Bronnen en literatuur

Literatuur: Jan Lindeborn, Historia sive notitia episcopatus Daventriensis (Keulen: J. van Metelen, 1670) p. 540-541; Hugo F. van Heussen, Oudheden en gestichten van het bisdom van Deventer, II (Leiden 1725) p. 576-577; O.G. Heldring, 'De kapel te Laren', in: Gelderse Volks-Almanak (1839) p. 104-105; A. Eekhof, De questierders van den aflaat in de Noordelijke Nederlanden (Den Haag: Nijhoff, 1909) p. 25, 70-72, 97-100, xxiii; F.A. Hoefer, "Aanteekeningen betreffende de kapellen te Laren en te Oolde". in: Bijdragen en Mededelingen Gelre 6 (1903) p. 143-152; F. Flaskamp, Die Anfånge friesischen und sachsischen Christentums. Mit Anhang: Zur Geschichte der Eadwaldenvererung in Laer. Kreis Steinfurt. Geschichtliche Darstellungen und Quellen 9 (Hildesheim 1929); H. Börsting-Alois Schröer en J. Prinz, 'De verering van de Ewalden te Laer (Westf.); Hendrik W. Heuvel, Geschiedenis van het land van Berkel en Schipbeek (Arnhem: Gysbers & Van Loon, 1903; reprint 1981) p. 14-15. J. Huyben, Met de heiligen het jaar rond, dl. 3 (Bussum: Brand, 1949) p. 212.
Overige Bronnen: KDC BiN- diskw.-dossier Laren (Gld.)

Laatste mutatie 28-01-2026
  naar het KDC, voor aanvullingen en commentaar.