Utrecht, H. Andreas (Andries)

Gediskwalificeerd: ja
Cultusobject: H. Andreas (Andries) Open Street Maps
Datum: 30 november (in de winter), 9 mei (translatio)
Periode: ? - ca. 1580
Religieuze context: Christelijk
Locatie: St. Maartenskerk / Dom
Adres: Domplein 31, 3512 JC Utrecht
Gemeente: Utrecht
Provincie: Utrecht
Bisdom: Utrecht
Samenvatting:

In de Middeleeuwen bevond zich een reliek van de H. Andreas in de Dom ofwel St. Maartenskerk in Utrecht. Deze reliek werd vereerd, maar er zijn in de bronnen géén aanwijzingen gevonden voor het bestaan van een aparte bedevaartcultus rond deze reliek.

Auteur: Geert Vink, F.H.A. Rikhof
Illustraties:
Topografie

- De Dom in Utrecht heeft meerdere voorgangers gekend die na verwoesting of brand steeds werden herbouwd of hersteld. In 1253 was er een grote stadsbrand waarna werd besloten om het romaanse gebouw te vervangen door een geheel nieuwe kathedraal in gotische stijl. De Dom was gewijd aan de H. Maarten. Sinds 1580 is de kerk protestants. Als gevolg van een windhoos is het schip in 1674 ingestort. De Domtoren en het resterende deel van de Domkerk staan daarom los van elkaar.

Cultusobject

- De apostel Andreas, broer van Simon, de latere apostel Petrus, behoorde tot de eerste volgelingen van Jezus Christus. Volgens de overlevering stierf hij te Patras de kruisdood. Zijn attribuut is het zogeheten Andreaskruis in de vorm van een X. Wanneer en hoe de reliek van de St. Andreas in het bezit van de Dom is gekomen, zal waarschijnlijk nimmer opgehelderd worden. Feit is wel, dat de kathedraal zich de bezitter van een fractie van het lichaam van de heilige kon noemen. Wat er met de reliek na de Reformatie in 1580 gebeurd is, is tot op heden een nog onopgehelderde zaak.
- In zijn Kerkgeschiedenis vermeldt Post abusievelijk, dat de Dom in het bezit was van het 'hoofd van Sint-Andreas'. Dit moet 'het hoofd van Sint-Adrianus' zijn.

Verering

- Wanneer en hoe de reliek van de St. Andreas in het bezit van de Dom is gekomen, zal waarschijnlijk nimmer opgehelderd worden. Feit is we!, dat de kathedraal zich de bezitter van een fractie van het lichaam van de heilige kon noemen. De schaarse berichten, die overgeleverd zijn over de aanwezigheid van de reliek, dateren alle uit de 16e eeuw. Volgens een in 1522 opgemaakte lijst van reliekvertoningen werd ieder jaar op St. Andries dag (= 30 november) de reliek ten behoeve van het godvruchtige volk tevoorschijn gehaald en dienden er drie kaarsen voor de reliekhouder ontstoken te worden. In een uit dezelfde tijd stammend handschrift, waarin minutieus de volgorde van de zevenjaarlijkse reliekprocessie op kerkwijdingsdag (= 22 juli) beschreven wordt, verschijnt de St. Andreasreliek opnieuw ten tonele. Een stoet van zeven priesters, vooraf gegaan door drie dienaren, moest op die dag vanuit de sacristie naar de in het koor staande aquila (een lezenaar in de vorm van een adelaar) lopen. De eerste priester droeg een monstrans met een afbeelding van St. Jacobus, waarin de reliek van St. Andreas geplaatst was. Deze monstrans was ergens in het najaar 1520-voorjaar 1521 door Wouter Splintersz., executeur-testamentair van domkanunnik  Amoldus Crusinck (overleden ca. 1513), aan de Dom verkocht. In de exposita extraordinaria van de rekeningen van de domfabriek over dit boekjaar is namelijk voor dit doel een bedrag van 30 Hollandse guldens uitgekeerd aan Splintersz. Wat er met de reliek na de Reformatie in 1580 gebeurd is, is tot op heden een nog onopgehelderde zaak.
- Het "uit dezelfde tijd stammend handschrift" is het handschrift RAU dom nr 419. Het handschrift is in de inventaris gedateerd als 15e eeuws, maar op folio 3v komt de naam 'Crusinck' voor, waarmee domkanunnik Arnold Crusinck bedoeld is. Aangezien het geen latere toevoeging maar een onderdeel van de lopende tekst betreft, moet de datering van het handschrift dus bijgesteld worden op ca. 1525.

Bronnen en literatuur

Archieven: Rijksarchief Utrecht, archief domkapittel nrs 419 en 2509; Nieuwe Testament, passim; Bronnen tot de bouwgeschiedenis van den Dom te Utrecht. 2e deel, lste stuk: rekeningen 1395-1480, ed. N.B. Tenhaeff; 2e stuk: rekeningen 1480/81-1506/07, ed. W. Jappe Alberts; 3e stuk: rekeningen 1507/08-1528/29, ed. W. Jappe Alberts ('s-Gravenhage 1946, 1969 en 1976) (RGP Grote Serie, dln 88, 129 en 155); R. Benz (vert.), Die Legenda aurea des Jacobus de Voragine (Darmstadt: 1984) p. 14-26.
Literatuur: H.F. van Heussen en H. van Rijn, Historie ofte beschrijving van 't Utrechtsche bisdom...,  I. deel Van Oudheden en gestichten der stad Utrecht (Leiden: Vermey, 1719) p. 110-111; R.R. Post, Kerkgeschiedenis van Nederland in de Middeleeuwen (Utrecht: Het Spectrum, 1957) II, p. 250; J.J.M. Timmers, Christelijke symboliek en iconografie (2e, herziene druk) (Bussum: Fibula-Van Dishoeck 1974) p. 232.
Overige Bronnen: KDC BiN-diskw.- dossier Utrecht-Andreas-Adrianus.

Laatste mutatie 24-11-2025
  naar het KDC, voor aanvullingen en commentaar.