|
- Relieken maakten een onmisbaar onderdeel uit van de liturgische inrichting van de Utrechtse Dom. De vroegst bekende verwervingen dateren reeds uit de 10e eeuw. Bisschop Balderik (van 918 tot 975 bisschop van Utrecht) verwierf de relicten van meerdere heiligen. In 966 wist hij de hand te leggen op enkele delen van het stoffelijk overschot van de H. Pontianus van Spoleto. Eerder in 963 had hij de relieken van de H. Agnes verworven. De verzameling relieken van heiligen werd gebruikt voor verering en vertoning aan de geestelijkheid en het gelovige volk. Naast deze verzameling waren er de relieken die werden bewaard in de vele altaren die waren opgesteld in de Dom. - Op de feestdag van de H. Pontiaan (14 januari) ging speciale aandacht uit uit naar diens relieken. Ze werden opgesteld in het schip van de kerk. Evenzo werden op de feestdag van de H. Agnes (21 januari) en de gehele week daarop volgend haar relieken tentoongesteld. De feestdagen van Pontianus en Agnes met de tussenliggende periode waren in het laatmiddeleeuwse Utrecht een periode van volksfeesten rond beide heiligen. De relieken werden dan door domkanunniken in processie de stad rondgedragen. - Het absolute hoogtepunt in de reliekencultus in de Dom vond eens in de zeven jaar op kerkwijdingsdag (22 juli) plaats. Dan werden met groot vertoon en in het bijzijn van de bisschop of bij diens afwezigheid van hoge domgeestelijken alle relieken aan het verzamelde volk vertoond. Deze plechtigheid werd enige dagen tevoren onder klokkengelui op het stadhuis bekend gemaakt. Op de dag zelf volgde een korte processie in de Dom vanuit de sacristie naar het koor. Nadat de optocht bij de verzamelde gelovigen was aangekomen, werd eerst het door bisschop Jan van Arkel aan de Dom geschonken kruis ter verering voorgehouden, dan de kleinere reliekhouders en tenslotte de grotere. Vervolgens trad de bisschop of zijn plaatsvervanger naar voren, verleende de aflaat en zegende de aanwezigen. Afsluitend keerde de processie onder het zingen van 'Te Deum laudamus' weer terug naar de sacristie alwaar enige bekers wijn werden genuttigd. Daarmee was de plechtigheid voor de gelovigen echter nog niet afgelopen. Er werd nog een plechtige mis gevierd waarvoor het kapittel een gastprediker uit een van de Utrechtse kloosters geïnviteerd had. - Was er nu vanwege de omvangrijke, in prachtige houders geborgen verzameling relieken en een geregelde liturgische campagne ook sprake van een grote toestroom van pelgrims naar de Dom? Historisch onderzoek heeft uitgewezen dat het aantal bezoekers gering is geweest. De Dom heeft zich nooit tot een groots bedevaartcentrum ontwikkeld. De oorzaak daarvan is waarschijnlijk gelegen in het ontbreken van een centrale devotionele trekpleister. De reliekenschat van de Dom bevatte meer kwantiteit dan kwaliteit. - Met het verbod op de uitoefening van de katholieke eredienst in 1580 kwam een einde aan de openbare verering van relieken in de Dom en werd een proces van katholieke ontmanteling en protestantisering van het kerkgebouw in gang gezet. Geheel abrupt zal het einde van de reliekenverering niet geweest zijn, want gezien de verminderde inkomsten uit de aflaatgelden en offerblokken was deze uiting van devotie reeds in het tweede en derde kwart van de 16e eeuw aan slijtage onderhevig. - Nog éénmaal is de Dom in katholieke handen geweest. Na de verovering van Utrecht door de Fransen begin juni 1672 (het 'rampjaar') is het kerkgebouw op last van de bezetters ontdaan van de protestantse aankleding en overgedragen aan de katholieken. Hoogstwaarschijnlijk zullen zich onder de katholieke parafernalia relieken bevonden hebben en mogelijk heeft hun aanwezigheid tot een kortstondige herleving van de cultus geleid. De toeloop van vereerders moet echter gezien de voortdurende staat van oorlog in de Nederlanden van beperkte kwantitatieve en geografische omvang zijn geweest. Terstond na de aftocht van de laatste Franse troepen op 23 november 1673, ontruimden de katholieken de Dom en namen de protestanten deze weer in bezit. - Wat er na de reformatie in 1580 met de relieken zelf gebeurde, onttrekt zich voor een deel aan onze waarneming. De zilveren en vergulde reliekhouders waren al in 1578 op last van het kapittel omgesmolten voor het lenigen van schulden en de financiering van de opstand tegen de landsheer, koning Philips II, zodat de relieken het sindsdien met een veel minder kostbare behuizing moesten doen. - Op 24 februari 1602 ontvingen de jezuïeten te Emmerik ettelijke relieken die afkomstig waren uit Utrecht, onder meer een bot van St. Maarten en delen van Pontianus en Agnes. De resten van deze drie heiligen waren zwart omdat ze te lijden hadden gehad van een brand van de geuzen. - Enkele relieken van de H. Pontianus bevonden zich omstreeks het midden van de 18e eeuw in de schuilkerk van de Oud-Katholieke Kerk te Leiden. Deze of andere relieken van dezelfde heilige zijn later terechtgekomen in de Utrechtse Sint-Gertrudiskathedraal, de hoofdkerk van de Oud-Katholieke Kerk en zetel van de oud-katholieke aartsbisschop. In 1994 schonk de oud-katholieke aartsbisschop Antonius Jan Glazemaker een deel van de Pontianusrelieken aan het Italiaanse aartsbisdom van Spoleto-Norcia. Op 20 en 21 augustus van dat jaar ging de translatie in Spoleto gepaard met grote feestelijkheden: Pontianus, de plaatselijke patroonheilige, wiens relieken in 966 door bisschop Balderik naar Utrecht waren gebracht, was na 'duizend jaar ballingschap' weer thuisgekomen. Overigens is een deel van zijn relieken in het bezit van de Sint-Gertrudiskathedraal gebleven voor eigen devotioneel gebruik. - Zie voor een volledig overzicht van de geschiedenis van de relieken in de Dom: Utrecht, H. Maarten (Martinus) / andere heiligen.
|