Arnhem, H. Eusebius |
||
| Cultusobject: | H. Eusebius |
Open Street Maps
|
|---|---|---|
| Datum: | 25 augustus; gehele jaar | |
| Periode: | 1453 - 1579 | |
| Religieuze context: | Christelijk | |
| Locatie: | Parochiekerk van St. Eusebius (Grote Kerk; thans N.H.) | |
| Adres: | Kerkplein 1, 6811 EB Arnhem | |
| Gemeente: | Arnhem | |
| Provincie: | Gelderland | |
| Bisdom: | Utrecht | |
| Samenvatting: |
Gedurende ruim een eeuw, in de tweede helft van de 15e en de eerste helft van de 16e eeuw, werden in de grote stadskerk van Arnhem de relieken vereerd van de martelaar Eusebius. Deze relieken waren in 1453 uit de benedictijnenabdij van Prüm (D) overgebracht naar Arnhem om een nieuwe impuls te geven aan het kerkbezoek in de parochiekerk en om inkomsten te genereren voor de nieuwbouw van de kerk. Ondermeer uit een mirakelboek blijkt dat de relieken van Eusebius in Arnhem bovenlokale verering genoten. Bij de overgang van de stad naar de reformatie in 1579 werden de relieken de stad uitgesmokkeld, waar ze na enige omzwervingen, en slechts gedeeltelijk, in de 17e eeuw weer terugkeerden. Van een meer dan parochiële verering is dan echter geen sprake meer. |
|
| Auteur: | Peter Nissen | |
| Illustraties: | ||
| Topografie |
- De aan Martinus toegewijde parochiekerk van Arnhem, een van de hoofdsteden van het graafschap en sinds 1339 hertogdom Gelre, was een eigenkerk van de benedictijnenabdij van Prüm in de Eifel; met pauselijke goedkeuring van Alexander IV op 11 maart 1258 was de kerk in de kloostergoederen van de abdij geïncorporeerd, een incorporatie waar op 2 mei 1264 de deken en het domkapittel van Utrecht mee instemden. In de eerste helft van de 15e eeuw werd de kerk met een teruglopend kerkbezoek geconfronteerd en daarmee de abdij met teruglopende inkomsten. De gelovigen in Arnhem gaven in toenemende mate de voorkeur aan andere kerken in de stad, zoals de collegiale kerk van de heilige Walburga en de kloosterkerken. Op 16 december 1422 gaf paus Martinus V aan de abt van de St. Paulusabdij te Utrecht opdracht om de parochianen van Arnhem te dwingen hun bezoek aan andere dan de stadskerk te staken. Maar die maatregel had kennelijk onvoldoende effect. Daarom werd besloten tot nieuwbouw van de stadskerk en tot aanwijzing van een tweede kerkpatroon. Deze kerkpatroon werd de heilige martelaar Eusebius, van wie uit de verzameling van de abdij van Prüm relieken naar Arnhem werden overgebracht. Met de nieuwbouw van het schip en de toren van de nieuwe, aan Eusebius en Martinus toegewijde stadskerk van Arnhem werd in 1452 begonnen. De eerste steen werd door hertog Arnold van Gelre gelegd. De bouw vond plaats op een daarvoor aangekocht stuk grond naast de bestaande laat-gotische driebeukige Martinuskerk; een op die grond staand woonhuis werd gesloopt. De nieuwbouw verrees in het oudste bebouwde gedeelte van de stad, ten noorden van de Markt en slechts door de Markt, de Sabelspoort en de (later gedempte) haven gescheiden van de rivier de Rijn. Er werd gebouwd van west naar oost, in de richting van de reeds bestaande driebeuk, die daardoor in oppervlakte verdubbeld werd. In 1455 bleek de bouw wegens financiële problemen al te stagneren. In 1478 evenwel werd het uurwerk van de oude naar de nieuwe toren overgebracht, zodat aangenomen mag worden dat schip en toren van de nieuwe stadskerk toen gereed waren. Vooral de imposante toren bepaalde voortaan het silhouet van de stad Arnhem. Voor de schippers op de Rijn diende hij als baken. De relieken van Eusebius zullen aanvankelijk waarschijnlijk in het koor van de voormalige kerk zijn opgesteld. Pas tegen het einde van de nieuwbouw van de kerk, waarschijnlijk in het vierde kwart van de 15e eeuw, werd aan de zuidzijde, ten westen van het zuidportaal, een kapel voltooid die bekend zou worden als de Eusebiuskapel. Daar werden de relieken van Eusebius ter verering opgesteld. De kapel was niet alleen vanuit het schip van de kerk te bereiken, maar was via een eigen ingang ook van buitenaf toegankelijk. - Toen Arnhem in 1579 naar de reformatie overging werd ook de Eusebiuskerk (Grote Kerk) bestemd voor de protestantse eredienst. Bij het bombardement van Arnhem in september 1944 werd de oude Eusebiuskerk vernield. Na de Tweede Wereldoorlog werd zij echter opnieuw opgebouwd; de nieuwe toren werd daarbij hoger gemaakt dan zijn voorganger. |
|
| Cultusobject |
- Object van verering in Arnhem waren relieken van de martelaar Eusebius, die in de tweede eeuw onder keizer Commodus (180-192) samen met Vincentius, Peregrinus en Pontianus in Rome de marteldood stierf. Deze relieken zouden in de negende eeuw door paus Sergius II (844-847) op aansporing van keizer Lotharius I, die na zijn terugtrede als keizer monnik werd in Prüm, geschonken zijn aan graaf Markward, de abt van Prüm. De relieken werden in 1453 door Walram van Wamel, in 1451 benoemd tot pastoor van Arnhem, plechtig overgebracht naar de Gelderse stad. Op 22 augustus 1453, woensdag na Maria Tenhemelopneming en drie dagen voor de feestdag van Eusebius, betaalden de burgemeesters van Arnhem een drinkgeld aan de pastoor voor 42 mannen, 'als hy hier Sante Eusebium had gebracht'. Op 1 oktober 1453 zonden burgemeesters, schepenen en raad van Arnhem een brief aan de abt en het convent van Prüm om hen te danken voor het feit dat zij 'onse kirche ende stat verluchtet ende verciert hebben mit enen duerbaren schatt, als mit den weerdigen gantschen lichaem des heiligen martelers Eusebii, ende voele particulen ende stucken van anderen weerdigen'. |
|
| Verering |
- Al kort na de translatie van de relieken van Eusebius van Prüm naar Arnhem in 1453 zijn er blijken van verering. In 1455 betaalde het stadsbestuur van Arnhem een som gelds voor 25 kruiken olie ten behoeve van de drie lampen 'tot sunte Eusebius'. In 1473 wordt in de stadsrekening van Arnhem voor het eerst een broederschap van de heilige Eusebius vermeld. De stadsrekening van 1474 bevat een post voor de speellieden die 'voir sente Euzebius spoelden op synen dach doe men hem droech'. Blijkbaar vond toen op de feestdag van Eusebius, dat wil zeggen op 25 augustus, een ommegang met de reliekhouder plaats. De Bollandisten wisten in de 18e eeuw, mogelijk uit mondelinge overlevering, te melden dat het schrijn door vier priesters gedragen moest worden. Tot wanneer de ommegang op het feest van Eusebius in Arnhem heeft bestaan, is niet bekend. In elk geval bepaalde hertog Karel van Gelre en Gulik nog op 10 augustus 1530, dat 'om sunderlinge milde oirsaicken' voortaan op het feest van Eusebius niet alleen het hoofd van de heilige, maar dat 'nu en toekomende sent Eusebius daeghe ind so voirtaen alle Jair syne gehele hijllige Reliquien und gebeenten mitter casten solempnelick' gedragen moesten worden. Het laatste getuigenis van een bijzondere viering van het feest van Eusebius dateert uit het jaar 1554. In dat jaar wordt een uitgavenpost vermeld voor speellieden 'die dat spull spuelden op sint Eusebiusdach van der doet'. |
|
| Bronnen en literatuur |
Archivalia: Arnhem, gemeentearchief Arnhem: oudarchief der gemeente Arnhem, inv.nr. 1245 e.v, stadsrekeningen 1451-52 e.v; inv. nr. 6078. Arnhem, Rijksarchief in Gelderland: handschriftencollectie, nr. 191, voor een beschrijving van dit handschrift door P. Nissen, zie: A.J. Geurts, A. Gruijs en J. van Krieken, Codicografie en computer. Proeve van een leidraad voor het beschrijven van handschriften (PCC-project) (Nijmegen: Alfa, 1983) p. 84-90. Tekstedities: A. van L[ommel], 'Berigten aangaande reliquiën van heijligen of h. zaken uit Noord-Nederland ontvoerd. Ais 1582-1630', in: Archief voor de geschiedenis van het aartsbisdom Utrecht 7 (1879) p. 97-100; J.A. Slempkes en Alb. Oltmans, Sagen en sproken van het oude Gelre. Fluisteringen - angstgedachten - beeldingsgaven - bijgeloof, dl. 1 (Zutphen: W.J. Thieme, 1932) p. 80-98; W. Jappe Alberts, 'De verering van Sint-Eusebius', in: Archief voor de geschiedenis van de katholieke kerk in Nederland 4 (1962) p. 1-9; M. Carasso-Kok, Repertorium van verhalende historische bronnen uit de middeleeuwen ('s-Gravenhage: Martinus Nijhoff, 1981) p. 30-31. Literatuur: Arend van Slichtenhorst, XIV Boeken van de Geldersse Geschiedenissen (Arnhem: Jacob van Biesen, 1653) p. 245; Acta Sanctorum, Augustus V (Antwerpen: Jacobus Antonius van Gherwen, 1741) p. 111-118, met name 113-114; G. van Hasselt, Kroniek van Arnhem (Arnhem 1790) p. 28; G. van Hasselt, Geldersch Maandwerk voor 't jaar 1807, dl. 2 (Arnhem: J.H. Moeleman Jr., 1807) p. 198; Verslagen omtrent 's Rijks oude archieven, XXIII/1900 ('s Gravenhage, 1901) p. 170; A. Markus, Arnhem omstreeks het midden der vorige eeuw, met geschiedkundige aanteekeningen (Arnhem: Maatschappij tot exploitatie der Arnhemsche Courant, 1907; herdr. Arnhem: Gysbers & Van Loon, 1965 en 1975) p. 240-242; De kerk en de parochie van St.-Walburgis te Arnhem. Gedenkboek bij het eeuwfeest van de teruggave der kerk 22 juli 1908 (Arnhem: Stoomdruk van Mastrigt en Verhoeven, 1908) p. 15-16; H. Portheine Jr., 'St. Eusebius en St. Martinus, schutspatronen der St. Eusebius- of Groote kerk te Arnhem', in: Bulletin Nederlandsche Oudheidkundige Bond 1913, p. 174-182; Voorloopige lijst der Nederlandsche monumenten van geschiedenis en kunst, dl. 4 (Utrecht: Oosthoek, 1917) p. 21; Alb. Oltmans, 'Historische schetsen XXV. De mirakelen van St. Eusebius', in: Arnhemsche Courant. Dagblad voor Arnhem en Gelderland, zaterdag 26 april 1924; Th. Ariëns e.a., Parochiegids bij het eeuwfeest van de parochie H. Eusebius te Arnhem (Arnhem: Parochie H. Eusebius, 1958); A.J. Maris, 'De oude of Grote kerk te Arnhem, ontvangstbewijs voor de relieken van Sint Eusebius, martelaar, en gezellen', in: Bijdragen en mededelingen Gelre' 59 (1960) p. 176-178; W. Jappe Alberts, 'De verering van Sint-Eusebius', in: Archief voor de geschiedenis van de katholieke kerk in Nederland 4 (1962) p. 1-9; H.P.R. Rosenberg, 'De Sint-Eusebiuskerk te Arnhem', in: Bulletin Koninklijke Nederlandse Oudheidkundige Bond, 6e serie, 15 (1962) k. 189-212; Ellen L. van Waardenburg, 'De verering van St. Maarten en St. Eusebius te Arnhem', in: De Grote Kerk van Arnhem. Bouw, verwoesting, herbouw (Arnhem: Gemeentemuseum, 1964) p. 11-15; W. Jappe Alberts, Geschiedenis van Gelderland van de vroegste tijden tot het einde der middeleeuwen ('s-Gravenhage: Martinus Nijhoff, 1966) p. 230; W. Jappe Alberts, Geschiedenis van Gelderland tot 1492 (Zutphen: Walburg Pers, 1978) p. 237-238; Wilhelm Kohl, Ernest Persoons, Anton Weiler, Monasticon Windeshemense, dl. 3 (Brussel: Archief- en Bibliotheekwezen in België, 1980) p. 569-580, met name 573; Grote- of Eusebiuskerk Arnhem. Geschiedenis Kerk + Toren, Rondgang (Arnhem: Stichting Grote- of Eusebiuskerk, [ca. 1980]); C.J.M. Schulte-van Wersch en A.G. Schulte, 'Een nieuwe kerk aan een nieuw plein', in: Arnhem. Elf facetten uit de 19de en 20ste eeuw (Zutphen: Walburg Pers, 1983) p. 75-89; W. Jappe Alberts, Arnhem. Het leven in een middeleeuwse stad (Dieren: De Bataafsche Leeuw, 1983) p. 7-10; Peter J.A. Nissen, 'De heilige vriend Gods Sint Eusebius. Nederlandse mirakelboeken uit de late middeleeuwen, in het bijzonder het Arnhemse mirakelboek van Sint Eusebius, als bron van volksgeloof', in: Volkskundig Bulletin 12 (1986) p. 283-317; P.J. te Poel, 'De schatkamer van de Basiliek van Sint Walburgis te Arnhem', in: Bulletin Stichting Oude Gelderse kerken 26 (1988) p. 145-151, ook als afzonderlijke uitgave: Vier eeuwen Arnhems wel en wee weerspiegeld in zilver (Arnhem: Schatkamer St. Walburgis-Basiliek, 1988); Peter J.A. Nissen, 'Niederländische Mirakelbücher aus dem Spätmittelalter, insbesondere das Arnheimer Mirakelbuch des heiligen Eusebius, als Quelle für den Volksglauben', in: Peter Dinzelbacher und Dieter R. Bauer ed., Volksreligion im hohen und späten Mittelalter (Paderborn etc.: Ferdinand Schöningh, 1990) p. 275-305; R.R.A. van Gruting, 'Lotgevallen van de relieken van H. Oswald en H. Eusebius uit het bezit van de apostolisch-vicaris Sasbout Vosmeer', in: Bijdragen en mededelingen Gelre 83 (1992) p. 29-92; A.G. Schulte e.a., De Grote of Eusebiuskerk in Arnhem. IJkpunt van de stad (Utrecht: Matrijs, 1994) passim en p. 39-46 Overige bronnen: Nijmegen KDC BiN-dossier Arnhem-Eusebius; Meertens Instituut volkskundige vragenlijst 64a+b (1993). |
|
| Laatste mutatie | 13-01-2026 | |
|
naar het KDC, voor aanvullingen en
commentaar. |
||




